share this post
on this page
Twintig bedrijven op een bedrijventerrein, een gedeelde netaansluiting via een groepstransportovereenkomst, zonnepanelen op elk dak en een gedeelde batterij naast de transformator. Op papier een energyhub. In de praktijk belt de parkmanager elke ochtend drie deelnemers om te vragen of ze hun laadpalen een uur later kunnen aanzetten.
Bij drie deelnemers lukt dat nog. Bij tien wordt het een fulltime baan zonder dashboard.
De meeste energyhubs beginnen enthousiast, maar stagneren zodra het aantal deelnemers of assets groeit. De reden is bijna altijd dezelfde: er ontbreekt een centraal energiemanagementsysteem (CEMS) dat de capaciteit binnen de hub coördineert. Zonder die coördinatielaag is een energyhub een verzameling losse aansluitingen met een gezamenlijk contract. Pas met software die de verdeling overneemt, wordt een hub ook daadwerkelijk slim.
Handmatige sturing van een energyhub loopt vast zodra de complexiteit groeit. Capaciteit wordt niet benut, deelnemers verliezen vertrouwen en de hub schaalt niet op.
- Een groep van 20 bedrijven zit op circa 150% van het gezamenlijke GTO-vermogen, in de wetenschap dat ze nooit allemaal tegelijk pieken. Zonder centraal systeem is die aanname een gok.
- Elke vijf minuten verandert het optimale sturingsschema. Geen spreadsheet of telefoontje houdt dat bij.
- Deelnemers die structureel capaciteit inleveren zonder inzicht in wat dat oplevert, haken af.
- Zonder dynamische toewijzing blijft teruglevering van zonnepanelen onbenut terwijl de buurman dure stroom van het net haalt.
- De coöperatie die het GTO beheert heeft geen data om eerlijk door te belasten.
Een energyhub zonder EMS is een gedeelde aansluiting met gedeelde problemen. Met EMS wordt diezelfde aansluiting een gedeeld voordeel.
Wat maakt een energyhub “smart”?
Het verschil tussen een smart grid, microgrid en energyhub zit in stakeholders. Een energyhub heeft meerdere onafhankelijke bedrijven, elk met eigen belangen, eigen contracten en vaak een eigen energieleverancier. Die bedrijven stappen gezamenlijk af van hun individuele aansluitingsovereenkomst en gaan naar een groepstransportovereenkomst (GTO). Tot zover de juridische basis.
De “smart” in smart energy hub zit in de software die bovenop die structuur draait. Concreet zijn er twee lagen:
Die twee lagen werken samen via een bottom-up model. De intelligentie begint lokaal en bouwt op naar het groepsniveau. Het CEMS hoeft niet alles zelf te berekenen. Het verlaagt of verhoogt per deelnemer de capaciteitsgrens, en het lokale EMS reageert daar binnen seconden op.
Zonder die lagen heb je een statische verdeling. Elk bedrijf krijgt een vast blok vermogen toegewezen en blijft daarop zitten, of het nu 10% of 100% benut.
Waarom handmatige aansturing niet schaalt
De kassa-analogie helpt hier. Twee kassa’s in een supermarkt met elk een eigen rij: je staat altijd in de verkeerde. Eén wachtrij voor twee kassa’s: je bent op het juiste moment aan de beurt. De totale capaciteit verandert niet, maar de verdeling wordt efficiënter.
In een energyhub zonder EMS zijn het twintig kassa’s met twintig rijen. De parkmanager probeert klanten van de ene rij naar de andere te dirigeren, op basis van wie hij toevallig net gesproken heeft.
Drie concrete situaties waar dat misgaat:
De minimale technische drempel
Een smart energy hub hoeft niet te beginnen met volledige automatisering op dag één. De minimale vereiste per deelnemer is een uitlezing van de hoofdmeter. Zonder die meting kan het CEMS niet bepalen hoeveel vermogen beschikbaar is.
Wie al stuurbare assets heeft (batterij, laadpalen, flexibele productieprocessen) krijgt direct meer waarde: het lokale EMS kan die assets optimaliseren en flex beschikbaar stellen aan de hub. Wie geen stuurbare assets heeft, zit op zijn nominale vermogen en stelt ongebruikte capaciteit passief beschikbaar. Dat levert alsnog waarde op voor de groep.
De technische limiet van een aansluiting is absoluut. Een CEMS kan vermogen slimmer verdelen, maar er geen vermogen bij verzinnen. Wat het wél kan: de bestaande capaciteit zo inzetten dat de groep geen netverzwaring nodig heeft om te groeien.
Bij Enexis Best leverde die aanpak 45% lagere energiekosten en 50% CO₂-reductie op, zonder extra netcapaciteit aan te vragen. Bij Montea schaalde het systeem van zes naar 25 locaties op dezelfde basisarchitectuur.

Van statische hub naar groeiend systeem
Wie een energiehub op een bedrijventerrein opzet, begint doorgaans met een kopgroep van drie tot vijf bedrijven. Dat is genoeg om de GTO-aanvraag te starten en de coöperatie op te richten. De uitdaging zit in de stap daarna: van vijf naar twintig deelnemers, van alleen zonnepanelen naar ook batterijen, laadpalen en warmtepompen.
Die schaalbaarheid lukt alleen als de coördinatielaag van het begin af aan klaarstaat. Een nieuw bedrijf aansluiten zou betekenen: gateway installeren, hoofdmeter koppelen, nominaal vermogen toewijzen in het CEMS. Geen herontwerp van de hele hub.
Tibo EMS is gebouwd op dat principe. Het lokale EMS per deelnemer optimaliseert achter de meter. Het CEMS verdeelt capaciteit over de hele hub. Die lagen werken onafhankelijk van het merk of type asset, omdat de aansturing via standaardprotocollen (Modbus, OCPP) verloopt. Nieuwe deelnemers onboarden zonder de bestaande configuratie te verstoren.
Wil je zien welke bouwstenen daarvoor nodig zijn? Lees onze uitleg over de bouwstenen van een succesvolle energyhub.
Veelgestelde vragen
Volg ons
Blogs zijn de samenvatting. Abonnees krijgen de diepere analyses, de eerlijke meningen en de inzichten die we niet zomaar overal delen. Meld je aan en blijf op de hoogte.



